Nieuw onderzoek van het Amsterdam UMC toont aan dat de voedselomgeving in Nederlandse steden de afgelopen tien jaar ongezonder is geworden. Gemeenten vragen de minister om een snelle voedselwet.
In Amsterdam schort 96 procent van de eetgelegenheden aan de kant. Dat is het schokkende resultaat van nieuw onderzoek van het Amsterdam UMC, dat de voedselomgeving in tien grote Nederlandse steden heeft gescoord. Het cijfer raakt de zenuwen van de stad en van de gemeentelijke zorgbestuurders. Ze schrijven nu massaal naar minister Sophie Hermans. De boodschap is kort en krachtig: versnel de voedselwet. Die wet zou gemeenten eindelijk de legale basis geven om ongezonde horeca te beperken.
De situatie is er in tien jaar niet beter op, maar juist slechter op geworden. Alle tien de bestudeerde steden scoren negatief op de schaal van -500 (extreem ongezond) tot +500 (extreem gezond). Groningen ligt met -252 nog het best, Leiden met -327 het slechtst. Amsterdam zakte van -287 in 2014 naar -301 in 2024. In 77 procent van de wijken is de situatie verslechterd. Voor de consument en de volksgezondheid is dit geen klein detail. Het is een dagelijkse realiteit.
Deze negatieve score van -301 voor Amsterdam betekent dat de overvloed aan ongezonde opties structureel is toegenomen. De daling van -287 naar -301 toont aan dat de trend niet stilstaat, maar versnelt. Dit is geen statistische anomalie, maar een duidelijke verandering in het straatbeeld. De meeste inwoners ervaren dit als een constante druk om ongezonde keuzes te maken, simpelweg omdat ze het meest voorhanden zijn.
Scholen in een ongezonde zone
De impact op de jeugd is het meest zorgwekkend. In Amsterdam liggen 87 van de 90 middelbare scholen en mbo-instellingen in een 'zeer ongezonde' voedselomgeving. Dat betekent dat jongeren elke dag worden omringd door een aanbod dat het kiezen van gezonde voeding moeilijk maakt. Alexander Scholtes, zorgbestuurder van Amsterdam, reageert scherp op dit beeld. Hij weigert zich daarvoor te verbergen.
Scholtes zegt tegenover Het Parool dat het onacceptabel is dat meer dan negen van de tien scholen in een ongezonde omgeving zitten. Het is een dagelijkse uitdaging voor jongeren die nog in ontwikkeling zijn. De druk van de omgeving is groot, en de keuze voor gezonde voeding wordt daarmee structureel bemoeilijkt. Dit is geen individueel probleem, maar een structureel maatschappelijk tekort.
Het feit dat 87 van de 90 instellingen in deze zone liggen, laat zien hoe universeel dit probleem is. Het is niet beperkt tot bepaalde wijken of specifieke scholen, maar is een stadse realiteit. Jongeren die zich in deze omgeving bevinden, krijgen constant te maken met reclame en aanbod dat afwijkt van de aanbevolen richtlijnen. Dit creëert een dagelijkse wrijving tussen gezonde intenties en de directe omgeving.

Methodiek van het onderzoek
Het onderzoek van het Amsterdam UMC is niet gebaseerd op aannames, maar op harde data. De onderzoekers hebben 31 verschillende typen eetgelegenheden gescoord, van groenteboeren tot fastfoodketens. De scores zijn een combinatie van expertbeoordelingen en een check van meer dan 83.000 producten. Deze producten zijn getoetst aan de Schijf van Vijf, de officiële Nederlandse richtlijn voor gezond eten.
Op basis van het type, het aantal en de nabijheid van de eetgelegenheden kregen wijken een score. Een negatieve score betekent een ongezonde omgeving. De methode is objectief en reproduceerbaar. Het toont aan dat de overvloed aan ongezonde opties niet toevallig is, maar een structureel patroon vormt in Nederlandse steden. De data laat geen ruimte voor twijfel over de trend.
De gebruikte methodiek is robuust omdat hij zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten combineert. Door 83.000 producten te analyseren tegen de Schijf van Vijf, wordt de focus gelegd op de feitelijke samenstelling van het aanbod. Dit voorkomt dat alleen op uiterlijk of merknaam wordt geoordeeld. De nabijheid van deze winkels speelt een cruciale rol, omdat de kortste route vaak de weg naar de fastfoodketen is, niet naar de groentewinkel.

Het wettelijke vacuüm
De gemeenten lopen tegen een muur. Ze willen ingrijpen, maar hebben nu nog geen duidelijke rechtsgrondslag om eetgelegenheden die ongezond voedsel verkopen te weigeren of te beperken. De voedselwet die wordt beloofd, zou dit gat moeten dichten. Zonder die wet is het handhaven van gezondere normen wettelijk onmogelijk, hoe sterk de lokale wil ook is.
De zorgbestuurders pleiten daarom voor spoed. Ze vragen minister Hermans om de wetgeving te versnellen. Het is een politieke keuze om de status quo te handhaven. Door te wachten, laten we een ongezonde voedselomgeving verder groeien. De tijd dringt, vooral omdat de data aantoont dat de situatie al tien jaar verslechtert. Inactie is geen neutrale houding, maar een keuze voor de huidige, ongezonde realiteit.
Dit wettelijke vacuüm creëert een frustratie bij lokale overheden die verantwoordelijk zijn voor de volksgezondheid. Ze zien de cijfers dalen, maar hebben geen gereedschap om het aanbod te reguleren. De oproep aan minister Hermans is dus niet alleen een politiek statement, maar een noodkreet voor handhaafbaarheid. Zonder wet blijven gemeenten toeschouwers van een verslechterende situatie.

De bredere context
Deze cijfers passen in een groter beeld van veranderende eetgewoonten en de opkomst van GLP-1-mediatie. Consumenten zoeken naar gezondere alternatieven, maar de fysieke omgeving dwingt hen vaak tot ongezonde keuzes. Er is een spanningsveld tussen de individuele wil om gezond te leven en de structurele druk van de omgeving. De voedselwet zou die balans moeten herstellen door de omgeving aan te passen aan de gezonde keuzes, in plaats van de andere kant rondom.
Voor de komende jaren is de uitkomst van dit beleid cruciaal. Als de wet wordt doorgevoerd, kunnen gemeenten eindelijk ingrijpen op de voedselomgeving. Als dat niet gebeurt, blijft de ongezonde dominantie in steden als Amsterdam en Leiden de norm. De keuze ligt nu bij de minister. De data is er, de vraag is of de politieke wil er is om daadwerkelijk te handelen.
De verandering in eetgewoonten, mede door nieuwe medicatie zoals GLP-1, vraagt om een andere aanpak dan tien jaar geleden. Mensen willen gezonder eten, maar de infrastructuur van de stad staat hier niet op ingesteld. De 96 procent ongezonde eetgelegenheden vormt een obstakel voor die individuele wil. Alleen door de omgeving te veranderen, kan de gezonde keuze de makkelijke keuze worden voor de gemiddelde inwoner van de stad.
Veelgestelde vragen

Keep subscribing to Thijs BakkerHer next filing reaches you the moment it publishes, on her own subdomain.
Subscribe
