De belasting op vermogen in box 3 is al jaren onderwerp van juridische strijd en politieke discussie. Na een baanbrekend arrest van de Hoge Raad werkt het kabinet aan een volledig nieuw stelsel dat spaarders en beleggers zou moeten belasten op hun werkelijke rendement. Een overzicht van wat er veran
Voor miljoenen Nederlanders met spaargeld, beleggingen of een tweede woning is box 3 een van de meest verwarrende onderdelen van de belastingaangifte geworden. Al jaren stapelen de rechtszaken, wetswijzigingen en aankondigingen zich op, terwijl huishoudens vaak niet goed weten waar ze nu precies op worden belast en of dat bedrag wel klopt.
Achter die onduidelijkheid gaat een langlopend conflict schuil tussen de overheid en belastingbetalers over de manier waarop vermogen wordt belast. Het kabinet werkt nu aan een geheel nieuw stelsel, maar tot dat er is blijft de Belastingdienst rekenen met een systeem dat de hoogste rechter eerder al deels heeft afgekeurd.
Wat box 3 precies belast
Box 3 is het onderdeel van de inkomstenbelasting dat gaat over inkomsten uit vermogen, oftewel uit sparen en beleggen. Onder dat vermogen vallen niet alleen spaartegoeden, maar ook aandelen, obligaties, een tweede woning en andere bezittingen die niet tot het eigen huis of de eigen onderneming worden gerekend.
Niet iedereen betaalt automatisch belasting over zijn spaargeld. Er geldt een heffingsvrij vermogen, een bedrag dat per persoon is vrijgesteld en dat de laatste jaren rond de zevenenvijftigduizend euro lag. Alleen over het vermogen boven die grens rekent de Belastingdienst een heffing, waardoor kleine spaarders in de praktijk vaak buiten schot blijven.
Het kerstarrest dat alles veranderde
Het grote keerpunt kwam op vierentwintig december van het jaar tweeduizend eenentwintig, toen de Hoge Raad een uitspraak deed die sindsdien bekendstaat als het kerstarrest. De hoogste rechter oordeelde dat de manier waarop box 3 sinds tweeduizend zeventien werkte in strijd was met het recht op eigendom en het discriminatieverbod uit het Europees Verdrag.
De kern van het probleem was dat de Belastingdienst uitging van een verondersteld rendement dat vaak veel hoger lag dan wat mensen daadwerkelijk verdienden. Vooral spaarders werden zo benadeeld, omdat zij nauwelijks rente ontvingen maar toch werden belast alsof zij een fors rendement hadden behaald. De rechter bepaalde dat dit onrechtvaardig was en dat er herstel moest komen.
Hoe de Belastingdienst nu nog rekent

Omdat een volledig nieuw stelsel niet van de ene op de andere dag klaar was, geldt er sinds het arrest een overbruggingswet. Daarin kijkt de Belastingdienst niet meer naar een gemiddelde over het hele vermogen, maar verdeelt zij het bezit in verschillende categorieen met elk een eigen verondersteld rendement voor spaargeld, overige beleggingen en schulden.
Voor spaargeld wordt daarbij een laag percentage gehanteerd dat dicht bij de werkelijke rente moet liggen, terwijl voor beleggingen nog altijd een aanzienlijk hoger forfaitair rendement geldt. Over de uitkomst van die berekening betaalt de belastingplichtige vervolgens een tarief dat de afgelopen jaren stapsgewijs is verhoogd tot ongeveer zesendertig procent.
De tegenbewijsregeling voor wie minder verdiende
Een belangrijk gevolg van de rechtspraak is dat belastingbetalers niet langer klakkeloos hoeven te accepteren wat de Belastingdienst aan rendement veronderstelt. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire bedrag, mag voortaan belasting betalen over dat lagere, daadwerkelijk behaalde rendement in plaats van over de aanname.
Daarvoor is een aparte procedure in het leven geroepen waarmee mensen hun echte inkomsten uit vermogen kunnen opgeven. Vooral huishoudens met veel spaargeld en weinig rente kunnen op die manier geld terugkrijgen, al vraagt het invullen van de gegevens de nodige administratie en moeten alle bedragen goed worden onderbouwd met bewijs.
Het nieuwe stelsel vanaf 2028
De echte hervorming moet komen met een nieuw stelsel dat belasting heft over het werkelijke rendement in plaats van over een aanname. Na eerdere vertragingen mikt het kabinet er nu op dat deze wet op ingang van het jaar tweeduizend achtentwintig gaat gelden, al is dat afhankelijk van de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer.
In het nieuwe systeem wordt belasting geheven over de werkelijke opbrengsten, zoals ontvangen rente, dividend en huur, maar ook over de jaarlijkse waardeontwikkeling van beleggingen. Voor onroerend goed wordt vaak gedacht aan een heffing die pas plaatsvindt bij verkoop, zodat mensen niet hoeven af te rekenen over winst die zij nog niet in handen hebben gekregen.
Wat spaarders en beleggers nu kunnen doen
Voor huishoudens betekent al deze onzekerheid dat het verstandig is om de eigen aangifte de komende jaren extra kritisch te bekijken. Wie vermoedt dat het werkelijke rendement lager lag dan de aanname van de Belastingdienst, doet er goed aan om bankafschriften en overzichten van beleggingen zorgvuldig te bewaren als onderbouwing.
Tegelijk is het goed om te beseffen dat de regels nog volop in beweging zijn en dat definitieve zekerheid pas komt als het nieuwe stelsel echt is ingevoerd. Financieel adviseurs raden aan om aankondigingen van de overheid te blijven volgen, zodat spaarders en beleggers hun keuzes rond vermogen kunnen afstemmen op de hervorming die er onmiskenbaar aankomt.
Echt nuttig stuk over box 3.
Evenwichtige kijk op box 3.

Keep subscribing to Femke JansenHer next filing reaches you the moment it publishes, on her own subdomain.
Subscribe
