Met een toeristenbelasting van 12,5 procent van de kamerprijs heft Amsterdam al de hoogste heffing van Europa, en het tarief loopt richting 2031 verder op naar 20 procent. De stad zet belasting in als wapen tegen overtoerisme, maar loopt daarmee ook een economisch risico.
Wie in 2026 een hotelkamer in Amsterdam boekt, betaalt niet alleen voor het bed en het uitzicht op de gracht. Op de rekening staat inmiddels een fikse opslag voor de stad zelf, en die opslag is nergens in Europa zo hoog als in de Nederlandse hoofdstad. De toerist is een belastingbron geworden.
De hoogste heffing van Europa
Amsterdam rekent op dit moment een toeristenbelasting van 12,5 procent van de kamerprijs. Dat is niet zomaar een klein opslagje, maar het hoogste tarief van heel Europa. Waar veel andere steden werken met een vast bedrag van een paar euro per nacht, koppelt Amsterdam de heffing bewust aan de prijs van de overnachting.
De rekening wordt bovendien zwaarder door het rijk. Sinds 1 januari 2026 is de landelijke btw op hotelovernachtingen verhoogd van 9 naar 21 procent. Tel je die twee heffingen bij elkaar op, dan komt de totale belastingdruk op een Amsterdamse hotelkamer al snel uit rond de 33,5 procent van de kamerprijs.
Van 12,5 naar 20 procent
En daar blijft het niet bij. De gemeente heeft besloten de toeristenbelasting de komende jaren stap voor stap verder op te schroeven. In 2027 gaat het tarief naar 16 procent, waarna het elk jaar met precies een procentpunt stijgt, tot het in 2031 uiteindelijk uitkomt op 20 procent van de kamerprijs.
De gevolgen voor de reiziger zijn concreet. Bij een gemiddelde kamer van 200 euro per nacht loopt het belastingdeel richting 2031 op tot ruim 80 euro, wanneer de landelijke btw en de lokale heffing worden samengeteld. Alleen het land Bhutan kent na die verhoging nog een hogere toeristenheffing dan Amsterdam.
Niet alleen de portemonnee

Toch is geld maar een deel van het verhaal. De hogere belasting past in een veel bredere strategie waarmee Amsterdam het aantal bezoekers wil sturen en de drukte in de historische binnenstad wil terugdringen. De stad grijpt daarbij naar meerdere knoppen tegelijk, en niet alleen naar het tarief op de hotelrekening.
Vooral de cruisevaart wordt stevig aan banden gelegd. Het aantal vergunningen voor riviercruises is teruggebracht van 2.300 naar 1.150 per jaar, terwijl het aantal aanlopen van zeecruises wordt gemaximeerd op honderd per jaar. De ontschepingsheffing per passagier ging omhoog van 8 naar 14 euro.
Ook voor dagjesmensen die met een cruiseschip aankomen wordt de rekening hoger. Zij betalen in 2026 een aparte dagtoeristenbelasting van 15 euro per persoon. Op die manier probeert de stad de grote stromen bezoekers die maar heel kort blijven, en relatief weinig besteden, minder aantrekkelijk te maken.
Een rem op hotels en verhuur
Naast de vaart pakt Amsterdam ook de slaapplaatsen zelf aan. De stad hanteert al langer een zogenoemde hotelstop, waarbij er in principe geen nieuwe hotels meer bij mogen komen. Wie een nieuw hotel wil openen, moet elders in de stad een bestaand hotel laten verdwijnen om ruimte te maken.
Daarnaast wordt de kortdurende verhuur van woningen aan toeristen streng aan banden gelegd en zijn toeristenbussen in het historische centrum niet meer welkom. Al deze maatregelen samen moeten voorkomen dat de binnenstad verandert in een plek die vooral op bezoekers is ingericht en niet meer op bewoners.
Twintig miljoen als grens
Achter dit hele pakket zit een duidelijk getal. Amsterdam heeft zichzelf een strikte bovengrens opgelegd van twintig miljoen overnachtingen per jaar. Wordt die grens structureel overschreden, dan is de gemeente verplicht om nieuwe maatregelen te nemen om de toeristenstroom terug te dringen.
Het is een opvallende keuze voor een stad die decennialang juist zo veel mogelijk bezoekers probeerde te trekken. Amsterdam draait die logica nu bewust om, en zegt dat leefbaarheid voor de eigen inwoners zwaarder weegt dan een steeds verder groeiend aantal toeristen op de smalle grachtenstraatjes.
Een gok met de bezoekerseconomie
Maar de aanpak is niet zonder risico. Toerisme is voor Amsterdam een belangrijke bron van banen en inkomsten, van hotels en restaurants tot musea, winkels en rondvaartbedrijven. Wie de toerist te ver wegjaagt, raakt onvermijdelijk ook een deel van die eigen economie die op bezoekers draait.
De grote vraag is dus of Amsterdam de juiste balans weet te vinden. De stad wil de drukte kwijt maar de bestedingen behouden, en mikt daarom liever op minder maar meer betalende gasten. Of die gok slaagt, zal de komende jaren moeten blijken, terwijl het tarief gestaag doorstijgt naar de twintig procent van 2031.

Keep subscribing to Daan de VriesHer next filing reaches you the moment it publishes, on her own subdomain.
Subscribe
