De nieuwe Vlinderbalans 2026 laat zien dat de Nederlandse dagvlinders al decennia in aantal teruglopen, met graslandsoorten als grootste verliezers. Toch tonen enkele soorten dat herstel mogelijk is waar het landschap weer bloemrijk wordt.
Er fladderen steeds minder vlinders door het Nederlandse landschap, en dat gevoel wordt nu opnieuw bevestigd door harde cijfers. De pas verschenen Vlinderbalans 2026 van De Vlinderstichting brengt de stand van onze dagvlinders in beeld en het beeld stemt somber. Toch klinkt er tussen de tellingen ook voorzichtige hoop, want op plekken waar het landschap weer bloemrijk wordt, keren soorten terug.
Ruim de helft verdwenen sinds 1992
De landelijke meetgegevens laten zien dat de vlinderstand sinds 1992 met ongeveer 57 procent is gedaald. Volgens de nieuwe Vlinderbalans ligt de stand van de gevolgde soorten ruim de helft lager dan aan het begin van de metingen. Kijken we nog verder terug, tot rond het jaar 1890, dan komt het totale verlies volgens de onderzoekers uit op minimaal 85 procent. Achter die percentages gaat een landschap schuil dat in ruim een eeuw sterk is veranderd.
Een meetnet van duizenden vrijwilligers
De cijfers rusten op een indrukwekkend meetnet dat sinds 1990 draait. Van april tot en met september lopen tellers wekelijks vaste routes, transecten genoemd, en noteren elke vlinder die ze zien. Meer dan tweeduizend vijfhonderd vrijwilligers dragen aan deze tellingen bij, jaar na jaar. Dankzij die trouwe inzet beschikt Nederland over een van de langst lopende en meest betrouwbare vlindermeetreeksen ter wereld.
Graslandvlinders het hardst getroffen

Niet alle soorten hebben het even zwaar, maar de vlinders van open grasland zijn de grootste verliezers. Deze groep is sinds 1992 met bijna 69 procent afgenomen, een dramatische daling die de onderzoekers koppelen aan de intensivering van de landbouw. Bloemrijke, kruidenrijke weiden zijn op veel plaatsen vervangen door strak beheerde, eentonige graslanden. Voor rupsen en vlinders die van een gevarieerde plantengroei afhankelijk zijn, betekent dat het verlies van hun leefgebied.
Soorten die het zwaar hebben
De Vlinderbalans noemt verschillende soorten die het bijzonder moeilijk hebben. De veenbesparelmoervlinder en de bruine eikenpage bereikten hun laagste index ooit sinds het begin van de metingen. Ook de kleine vos, de heivlinder en het bont dikkopje beleefden slechte jaren. Zelfs het lantaarntje, ooit een algemene verschijning, laat een duidelijke terugval zien. Stuk voor stuk zijn het signalen dat de basis onder de vlinderstand wegvalt.
Ook gewone soorten wankelen
Lang boden de algemene soorten een zekere stabiliteit, maar juist die buffer brokkelt nu af. In het afgelopen decennium gaan ook vertrouwde vlinders als het groot koolwitje en het icarusblauwtje in aantal achteruit. Wanneer zelfs de soorten die iedereen kent zeldzamer worden, verandert er iets wezenlijks in het landschap. Het koevinkje en het zandoogje verdwijnen uit bermen die vroeger vol bloemen stonden, en dat valt op.
Twee gezichten van 2025
Het vlinderjaar 2025 had volgens de tellers twee gezichten en liet zich lastig samenvatten. Er waren periodes met meer vlinders dan het gemiddelde van de afgelopen vijfendertig jaar, maar ook langere stukken waarin de aantallen juist onder dat gemiddelde bleven. Dat wisselende beeld volgde op 2024, dat de boeken inging als een van de slechtste vlinderjaren sinds de start van het meetnet. Weer en klimaat spelen van jaar tot jaar een grillige rol.
Lichtpuntjes tussen de cijfers
Toch is niet alles kommer en kwel, want enkele soorten laten zien dat het ook anders kan. Het bont zandoogje beleefde zijn beste jaar sinds het begin van de metingen en breidt zijn leefgebied uit. Deze bosrandvlinder profiteert van warmere zomers en van een gevarieerder struweel langs bossen en tuinen. Zulke uitschieters bewijzen dat vlinders snel kunnen reageren zodra de omstandigheden in hun voordeel veranderen.
Basiskwaliteit natuur als maatstaf
In de Vlinderbalans 2026 staat het begrip basiskwaliteit natuur centraal, kortweg de minimale kwaliteit die gewone soorten nodig hebben om te overleven. Denk aan bloemrijke bermen, schoon water, houtwallen en kruidenrijke oevers. Op veel plekken in Nederland wordt die ondergrens nog niet gehaald, vooral in intensief gebruikte landbouw en stedelijk gebied. De vlinder wordt zo een graadmeter voor de gezondheid van het hele landschap.
Stikstof en bestrijdingsmiddelen
Twee factoren komen in vrijwel elke analyse terug als drukfactoren op de vlinderstand. De hoge stikstofbelasting zorgt ervoor dat enkele snelgroeiende planten de overhand krijgen en de bloemenrijkdom verdringen. Bestrijdingsmiddelen treffen op hun beurt niet alleen plaaginsecten, maar ook de rupsen en vlinders die we juist willen behouden. Minder stikstof en minder gif zijn dan ook terugkerende aanbevelingen in het rapport.
Waarom vlinders ertoe doen
Vlinders zijn meer dan een fraai gezicht op een zomerse dag in de tuin. Als bestuivers en als voedsel voor vogels vormen ze een schakel in een groter web van leven. Omdat ze snel reageren op veranderingen in hun omgeving, gelden ze als gevoelige indicatoren voor de toestand van de natuur. Waar het slecht gaat met de vlinders, gaat het vaak ook slecht met andere insecten die minder makkelijk te tellen zijn.
Bloemrijk beheer werpt vruchten af
Het meest hoopvolle signaal uit de nieuwe balans is misschien wel praktisch van aard. Waar gemeenten, boeren en terreinbeheerders investeren in bloemrijk beheer, zie je soorten terugkeren, schrijven de onderzoekers. Een berm die pas laat en gefaseerd wordt gemaaid, biedt nectar en schuilplaatsen die een strak gazon nooit kan geven. Zulke keuzes zijn klein op zichzelf, maar tellen bij elkaar op tot een landschap waarin vlinders weer ruimte krijgen.
Wat iedereen kan bijdragen
Ook buiten het beleid om kan vrijwel iedereen een steentje bijdragen aan meer vlinders. Een hoekje in de tuin met inheemse bloemen, een deel van het gras dat langer mag staan of een struik die bloeit in de nazomer, het helpt allemaal. Wie meetelt met het meetnet of losse waarnemingen doorgeeft, levert bovendien waardevolle gegevens voor de volgende balans. Zo wordt de zorg voor vlinders een gedeelde inspanning van veel handen.
Herstel blijft mogelijk
De rode draad door de Vlinderbalans 2026 is dubbel maar niet uitzichtloos. De langjarige trend blijft zorgwekkend en de druk op veel soorten houdt aan, dat verbloemen de onderzoekers niet. Tegelijk laten de opverende soorten en de bloemrijke bermen zien dat verandering wel degelijk aankomt. De vlinder vraagt geen wonderen, maar ruimte, bloemen en geduld, en die kunnen we hem samen teruggeven.

Keep following Lotte VisserHer next filing reaches you the moment it publishes, on her own subdomain.
Follow