Anders dan de solitaire wilde bijen hoort de honingbij bij een volk van tienduizenden, een levend superorganisme dat als één geheel werkt. Met haar beroemde dans, haar wasraten en haar honing fascineert dit sociale insect de mens al duizenden jaren.
Een honingbij landt op een grote zonnebloem en begint ijverig stuifmeel te verzamelen, haar pootjes al zwaar van de gele last. Anders dan de wilde, solitaire bijen die elk voor zich leven, hoort dit diertje bij een volk van tienduizenden. Samen vormen zij iets bijzonders: een levend superorganisme dat als één geheel denkt, werkt en overleeft.
Een volk als één organisme
De honingbij is een sociaal insect bij uitstek. Een enkel bijenvolk bestaat uit één koningin, enkele honderden mannetjes, de darren, en tienduizenden werksters, samen soms wel dertig- tot vijftigduizend bijen. Zij zijn zo sterk van elkaar afhankelijk dat een losse bij niet lang overleeft, want alleen als geheel vormt het volk een goed werkende eenheid.
Binnen het volk heeft ieder zijn eigen taak. De koningin legt de eieren en houdt met haar geuren het volk bijeen, de darren dienen enkel om te paren, en de talrijke werksters, allemaal vrouwtjes, doen zowat al het werk. Naarmate een werkster ouder wordt, verandert haar taak, van poetsen en voeden binnen de korf tot uiteindelijk het verzamelen van nectar buiten.
De dans die de weg wijst

Misschien wel het wonderlijkste aan de honingbij is de manier waarop zij met elkaar praat. Een werkster die een rijke bron van bloemen heeft gevonden, keert terug naar de korf en voert daar een opvallende dans uit in de vorm van een acht. De hoek van die dans vertelt haar zusters in welke richting de bloemen liggen ten opzichte van de zon.
De duur van het kwispelende deel van de dans verraadt bovendien hoe ver de bloemen weg zijn. Zo kan één bij aan de rest van het volk haarfijn doorgeven waar voedsel te vinden is. Daarnaast gebruiken de bijen een heel scala aan geurstoffen, feromonen genaamd, om elkaar te waarschuwen en het werk in de korf zorgvuldig op elkaar af te stemmen.
Bouwers van was en honing
De honingbijen zijn ook meesterlijke bouwers. Jonge werksters scheiden uit kliertjes op hun buik dunne plaatjes was af, waarmee zij de bekende raat bouwen: rijen volmaakte zeshoekige cellen zonder ook maar een greintje verspilde ruimte. In die cellen bergen zij hun voorraden op en brengen zij tegelijk de volgende generatie bijen groot.
In de raat slaan de bijen honing op, die zij maken van de nectar van bloemen, samen met stuifmeel als eiwitrijk voedsel. Die honing is hun wintervoorraad, bedoeld om de koude maanden zonder bloemen door te komen. Al duizenden jaren oogst de mens een deel van die zoete rijkdom, en zo ontstond het aloude ambacht van het imkeren.
Onmisbaar voor onze oogst
Terwijl de werksters van bloem naar bloem vliegen om nectar en stuifmeel te verzamelen, bewijzen zij ons een onmisbare dienst. Al doende bestuiven zij talloze gewassen en wilde planten, en naar schatting is bestuiving door bijen verantwoordelijk voor meer dan een derde van al ons voedsel. Zonder deze kleine werksters zou onze tafel er heel wat schraler uitzien.
De imker en de bij
De band tussen mens en honingbij is in ons land nog altijd springlevend. Nederland telt ongeveer zevenduizend imkers, van wie de meesten het als hobby doen. Zij verzorgen hun volken in bijenkasten, oogsten honing en was en helpen tegelijk de bestuiving, terwijl op het eiland Texel zelfs een aparte, donkere ondersoort van de honingbij zorgvuldig in stand wordt gehouden.
Toch hebben ook de honingbijen het niet gemakkelijk. Ziekten, de gevreesde varroamijt en het gebruik van bestrijdingsmiddelen zetten de volken onder druk, en zonder goede verzorging en voldoende bloemen kan een kast het zwaar krijgen. Een gezond bijenvolk vraagt daarom om aandacht, kennis en een landschap dat rijk is aan nectar.
Niet te verwarren met wilde bijen
Het is belangrijk te beseffen dat de honingbij slechts één soort is. Van de honderden bijensoorten die in Nederland voorkomen, leeft het overgrote deel juist solitair, elk vrouwtje op zichzelf, zonder korf of koningin. Beide hebben onze hulp nodig, maar op verschillende manieren, en een tuin vol bloemen doet zowel de tamme als de wilde bijen goed.
De honingbij is dus een klein wonder van samenwerking, maar geen vervanging voor haar wilde verwanten. Wie de natuur een dienst wil bewijzen, koestert daarom niet alleen de korf in de achtertuin, maar ook de kale plekjes zand, de holle stengels en de wilde bloemen waar de solitaire bijen zo van afhankelijk zijn.
Zo is die ene honingbij op de zonnebloem veel meer dan een los insect. Zij is de gezant van een heel volk, een onvermoeibare werkster wier dans, was en honing de mensheid al duizenden jaren blijven boeien. Wie haar even gadeslaat, kijkt recht in het hart van een van de meest verbluffende samenlevingen van de natuur.

Keep subscribing to Lotte VisserHer next filing reaches you the moment it publishes, on her own subdomain.
Subscribe
